08-Okt-2008
Afbakening stedelijk gebied rond Brussel
Tijdens de bespreking probeerden we bij wijze van amendement de meerderheid over te halen om te opteren voor een andere benaming dan "stedelijk" gebied. Maar onze suggestie om het "strategisch" gebied te noemen werd weggestemd door de meerderheid en UF.
Dat de mensen van het studiebureau ons de suggestie deden om zelf een betere naam te zoeken, vond de CD&V niet belangrijk. Laat de ambtenaren maar beslissen, vonden ze. Voor de zoveelste keer een gemiste kans om zich als provincie te profileren.
De eindstemming verliep als volgt: Groen en Vlaams belang tegen, UF onthield zich en de meerderheid stemde voor.
Tussenkomst bij het voorstel 128 rapport focusbepaling – afbakening VSGB
7/10/2008
Waarde collega’s,
Zo’n vier en een half jaar geleden was het toenmalige Vlaams Blok zowat de enige partij die forse kritiek had op het Structuurplan Vlaams-Brabant en tegenstemde.
Onze belangrijkste bezwaren nog even op een rijtje:
1) We vonden het véél te ingewikkeld
2) Het geeft te weinig ontwikkelingskansen aan de buitengebieden zoals het Hageland en het Pajottenland
3) Het zal de verstedelijking en de verfransing in de rand rond Brussel sterk in de hand werken.
We hebben toen actief meegewerkt aan het inzamelen van bezwaarschriften rond de afbakening van het VSGB en de busbaan op de Ninoofsesteenweg, met een meer dan behoorlijke respons.
Drie jaar geleden, eind september 2005 bespraken we hier het eerste rapport focusbepaling om de afbakening van het VSGB voor te bereiden.
Toen bleek dat de planologen een gebied voor ogen hadden dat qua oppervlakte groter is dan de helft van Brussel, waar men een enorme verstedelijkingsoperatie wilde doorvoeren. Typerend was onder meer de benaming “stadsdeel Zaventem” voor een hele regio van de Verbrande brug in Grimbergen tot Tervuren dorp. Het Zaventemse moest het zwaartepunt vormen van de stedelijke ontwikkelingen.”
Eigenaardig genoeg vond het provinciebestuur toen dat dit alles nog niet ver genoeg ging. Er moest nog meer ontwikkeld worden, er moesten nog meer bedrijventerreinen komen in dat gebied, anders zou dat een hypotheek leggen op de ontwikkeling ervan.
Men wilde immers binnen de cijfertjes en tabelletjes van het structuurplan Vlaanderen blijven.
Wij hebben altijd de uitgangspunten van dat RSV betwist. Men heeft de ruimtelijke ordening in Vlaanderen veel te zwart/wit benaderd. Elk gebied moest mordicus ingedeeld worden in hetzij een openruimtegebied hetzij een stedelijk gebied. Hierdoor was er te weinig aandacht voor het overgangskarakter van sommige streken en voor de specifiek communautaire aspecten in de Vlaamse Rand rond Brussel.
Bovendien liep men het gevaar met die zeer strakke plannen dat ze in de realiteit niet haalbaar zouden zijn.
In het advies bij het eindrapport dat nu voorligt, blijkt dat overduidelijk.
Op papier moesten er 71 tot 76% van de bijkomende oppervlakte voor bedrijventerreinen binnen de stedelijke gebieden of de specifiek economische knooppunten gerealiseerd worden. Eerst was dat 600 à 700 ha, daarna nog 204 ha en nu nog maar 148 ha. De lat wordt dus steeds lager gelegd en het wordt hoogst twijfelachtig of zelfs die haalbaar zijn.
Doorschuiven naar de steden in het arrondissement Leuven en de economische knooppunten kan maar gedeeltelijk, wat finaal zou betekenen dat men toch naar het buitengebied zou moeten uitwijken. Op zich zouden wij dat geen slechte zaak vinden, op voorwaarde dat men daar lokaal een ruime consensus kan voor vinden. Er is immers al een verkeersindigestie in Halle-Vilvoorde en te veel pendelarbeid in de buitengebieden.
We zijn blij dat men in het eindrapport schrijft dat “het behalen van “taakstellingen” op vlak van bijkomend aantal woningen, hectaren bedrijventerreinen niet het uitgangspunt is”. Op die manier komt men immers terug van de cijferdwang.
Ook inzake wonen is er geen duidelijkheid meer over de cijfers. De planperiode 1992-2007 (17000) is immers achter de rug, en blijkbaar beschikt men nergens over de realisatiegraad van het aantal bijkomende woningen. Vooraleer men verder beslissingen neemt, zou dat op zijn minst in kaart gebracht moeten zijn. Dan kan de Vlaamse regering best nog even wachten tot na de volgende verkiezingen.
Met het verhogen van het aantal bouwlagen zouden wij nog veel voorzichtiger willen omspringen. In sommige gevallen is dat natuurlijk verantwoord om de bouwvoorschriften in overeenstemming te brengen met de realiteit of om een renovatiebeleid te stimuleren. Maar we kanten ons tegen een massale en ongenuanceerde verhoging.
Bij wijze van voorbeeld kijken we even naar Strombeek-Bever en Koningslo.
Bij de vergelijking van de verschillende woonkernen binnen het stedelijk gebied valt op dat - buiten het stadscentrum van Vilvoorde – nergens het aantal bouwlagen op een even gelijkmatige als grootschalige manier wordt opgetrokken als daar. Als je in Strombeek systematisch naar 4 bouwlagen gaat, betekent dat bijna een verdubbeling van de wooncapaciteit. Wij stellen daar toch vragen bij. Zal het gevolg niet onvermijdelijk zijn dat in beide deelgemeenten de komende jaren een intensieve bouwdynamiek zal ontwikkeld worden en dat het aantal inwoners er gevoelig zal verhogen?
Vandaag reeds woont in de woonkern van Strombeek-Bever (ongeveer 5% van de Grimbergse oppervlakte) ruim 34% (of meer dan één derde) van het aantal Grimbergenaars. Dit dreigt op termijn te evolueren naar 45 à 50%.
Is dat wenselijk? Zowel Strombeek-Bever als Koningslo zijn nu reeds de deelgemeenten met de hoogste verfransingsgraad. Wanneer men hier nog verder verstedelijkt en de inwijking vanuit Brussel nog verder bevordert, wordt de samenleving er nog anoniemer, zodat de integratie steeds moeilijker zal verlopen.
Het is merkwaardig dat dit allemaal gebeurt zonder de minste demografische prognose. Dat is zeer vreemd, want de Vlaamse overheid zelf heeft recent nog in wetenschappelijke rapporten vastgesteld dat de inwijking vanuit Brussel is toegenomen. Het Planbureau gaat er van uit dat de migratie naar ons land (en vooral naar Brussel) de komende decennia nog zal toenemen. Nergens in het huidige of het voorgaande rapport wordt de inwijking van de voorbije jaren onderzocht en wordt berekend wat de consequenties zijn van een grootschalige optrekking van de bouwlagen voor onze streek. Men kan hier dus spreken van een volslagen blinde maatregel, die ertoe kan leiden dat Strombeek en Koningslo bij uitstek het opvangvat zullen worden voor migratie vanuit Brussel.
In ieder geval zou men moeten beslissen om – wanneer er dan toch groen licht wordt gegeven voor een verhoging – een koppeling te maken met Vlabinvest en sociale huisvesting, om tenminste een aanzienlijk deel van de nieuwe woningen ter beschikking te stellen van onze eigen bevolking.
Dat vereist meteen ook een extra financiële en personele ondersteuning van de gemeenten vanwege de Vlaamse overheid, om een echte Vlaamse woonpolitiek mogelijk te maken.
De opmerkingen die de provincie maakt hierover op p. 9 (een voorwaarde van een koppeling met een percentage sociale huisvesting kan hier misschien een oplossing bieden) en p. 25 (een verhoging tot 3 à maximaal 4 bouwlagen lijkt aangewezen. Op sommige plaatsen kan een hoger aantal bouwlagen verantwoord zijn.) vinden we dus al bij al te vaag en te vrijblijvend.
Nog een paar kleinere opmerkingen:
• We zijn blij dat de provincie blijft aandringen op de sluiting van de zuiderring, maar vinden dat daar meer actief campagne zou moeten rond gevoerd worden. Raadsleden die van het Pajottenland komen en soms anderhalf uur tot twee uur onderweg zijn naar Leuven ervaren elke keer hoe nadelig het is dat de zuiderring nooit werd afgewerkt.
• Uiteraard stemmen wij in met de vraag om grondig onderzoek te laten uitvoeren ivm parking C van de Heizel en dat gebied als een strategisch project uit te kiezen. Tot hiertoe zijn zowel de provincie als het Vlaams Gewest achter de feiten aan het aanhollen, met alle gevaren vandien. Wij weten natuurlijk ook wel dat er met die parking iets zal moeten gebeuren, maar we hebben nog liever een dorre kiezelvlakte dan een megalomaan project waarbij de Ring 7 dagen op 7 vastloopt.
• Ik neem aan dat de zin op p. 35 “In eerste instantie wenst de provincie dat de term flankerend beleid verwarrend werkt” niet de intentie van deze deputatie weergeeft.
Collega’s, ik ga afronden.
Het advies dat hier vandaag voorligt heeft de verdienste dat het een grondig werkstuk is, dat de tekortkomingen van het afbakeningsproces gedetailleerd in kaart brengt. Het Vlaams deksel past eigenlijk heel slecht op het Vlaams-Brabants structuurplanpotje. Er ontbrak duidelijk een gast als Tom Lagast bij de studiebureaus om alles op elkaar af te stemmen. En we zullen zeker niet de enigen zijn die zich afvragen wie in de toekomst in staat zal zijn om deze materie bij de provincie te blijven behartigen.
Maar toch zullen we het advies niet goedkeuren, omdat we niet in de logica van het afbakeningsproces willen meestappen, ons absoluut niet kunnen vinden in het concept “stedelijk gebied” voor een groot stuk van de Vlaamse Gordel, en vooral omdat de provincie een deel van de plannen nog erger wil maken dan ze nu al zijn.
Jan Laeremans