|
VLAAMS BELANG Provincie Vlaams-Brabant |
Deze pagina werd geprint op: 9/9/2010 (8:12)
![]() |
![]() |
![]() |
| Provincie Vlaams-Brabant | ||
|
|
||
|
|
||
Persbericht
27-Sep-2005
Structuurplan luidt grootschalige verstedelijkingsoperatie in
Olievlek in ’t vet ? Promotoren aan zet !
Persconferentie dinsdag 27 september 2005 Bart Laeremans Joris Van Hauthem ![]() 1. Inleiding Zoals bekend werd in het zogenaamde “Structuurplan Vlaanderen”, een instrument en referentiekader waarmee men het beleid inzake ruimtelijke ordening wil sturen, een gebied voorzien in de Vlaamse Gordel rond Brussel dat de planologische benaming zou krijgen “Vlaams Stedelijk Gebied rond Brussel”. De aanvankelijke benaming “grootstedelijk gebied” verraadde nog veel meer de intenties die sommigen met dit gebied hebben. Van in het begin was duidelijk dat het de bedoeling zou zijn grote delen van Halle-Vilvoorde intensief te gaan verstedelijken en bijgevolg de verBrusseling van onze streek te stimuleren. Het structuurplan is, althans voor onze regio, vooral een instrument om de bestaande gewestplannen drastisch te kunnen wijzigen. Het Vlaams Blok/Vlaams Belang heeft in de vorige fasen van het besluitvormingsproces zich zowel op lokaal als provinciaal niveau krachtig tegen het concept van het stedelijk gebied verzet, omdat het in de eerste plaats vertrekt van de noden en behoeften van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en veel minder van deze van Halle-Vilvoorde, dat als aparte regio die een eigen ruimtelijk ordeningsbeleid behoeft. Ons verzet heeft er voor gezorgd dat men een subtieler taalgebruik is gaan hanteren en dat een aantal dorpskernen intussen niet werden opgenomen in het ontwerp van stedelijk gebied dat momenteel voorligt. Maar anderzijds is het nu duidelijker en concreter dan ooit dat grote delen van Halle-Vilvoorde ten prooi dreigen te vallen van een intensief verstedelijkingsbeleid. De afbakening van het “Vlaams Stedelijk gebied rond Brussel” is een opdracht die de Vlaamse overheid voor zichzelf had voorbehouden. De kwestie werd wel al ter sprake gebracht in het ontwerp structuurplan Vlaams-Brabant waar werd gewerkt met “potentieel stedelijke gebieden.” In het kader van dit besluitvormingsproces hebben al heel wat particulieren, verenigingen (waaronder het Vlaams Blok) en gemeentebesturen adviezen verstrekt en kritiek geuit op dit “stedelijk gebied”. Eind juni werd aan alle gemeentebesturen waarvan het grondgebied deels in het stedelijk gebied zou komt te liggen, een “Rapport Focusbepaling” bezorgd. Een ontwerp-afbakening, vergezeld van een honderdtal informatieve kaarten, een hoofdrapport (104 blz) en een uitvoerige bijlage (150 blz). Formeel hebben de schepencolleges tijd tot 1 oktober om op deze afbakening te reageren, maar ongetwijfeld blijft het zinvol dat de mandatarissen uit Vlaams-Brabant en de gemeenteraden zich ook nadien nog zouden uitspreken. Het Vlaams Belang heeft vorige week alvast naar alle betrokken schepencolleges een brief gestuurd met een ontwerp van bezwaarschrift. Het afbakeningsvoorstel voor het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel (voortaan VSGB) is in opdracht van de Vlaamse regering uitbesteed aan een samenwerkingsverband van vijf studiebureaus Studiegroep Omgeving, Aeolus, Idea Consult, Tritel en 02 Consult. Ongetwijfeld is het mede daardoor dat in het rapport zo weinig bekommernis tot uiting komt inzake de vrijwaring van de eigen Vlaamse karakter van de Gordelgemeenten. Maar tegelijkertijd kunnen wij ons niet voorstellen dat deze planologen ongestoord hun gangen mochten gaan. De Vlaamse regering en de Vlaamse meerderheidspartijen hebben in het verleden het kader geschapen voor dit verstedelijkingsplan en dragen dus een grote politieke verantwoordelijkheid. 2. Kern van het verhaal en algemene kenmerken Het resultaat van het afbakeningsproces is een zeer groot gebied dat qua oppervlakte groter is dan de helft van Brussel. Het gaat om zes deelgebieden:
Van de zes bovenvermelde gebieden worden er drie gedefinieerd als “hoogdynamische zones” (p. 43), met name het Zaventemse, de omgeving van Zellik en de zuidelijke kanaalzone. “Bijkomende ontwikkelingen van wonen, economische activiteiten en andere stedelijke functies worden in deze zones geconcentreerd.Het Zaventemse vormt het zwaartepunt van de stedelijke ontwikkelingen.” Verbijsterend en zelfs hallucinant is de benaming die ze voor dit laatste gebied gekozen hebben, met name het stadsdeel Zaventem. Heel de regio van de Verbrande Brug tot Tervuren-dorp wordt dus uitgeroepen tot deel van de stad. Van welke stad? Dit kan natuurlijk alleen maar Brussel zijn. Deze benaming illustreert de rode draad in het hele rapport: een groot deel van Halle-Vilvoorde zal een intensief verstedelijkingsbeleid ondergaan. Ook inzake Strombeek-Bever en Koningslo wordt dergelijke terminologie gebruikt: dit zijn “verdichte uitlopers van het verstedelijkt gebied van Brussel en worden daarom benoemd als stadswijken.”(p. 66). M.a.w. volgens de heren planologen zijn Koningslo en Strombeek-Bever wijken van … Brussel. Het is onvergeeflijk dat de Vlaamse overheid de planologen hier niet tot de orde heeft geroepen, want zij nemen eigenlijk helemaal de retoriek van het FDF over, dat al veertig jaar stelt dat de Rand rond Brussel een onderdeel vormt van de hoofdstad. De rapporteurs verduidelijken ook dat de Rand een dienende rol moet spelen t.a.v. Brussel: “Daarnaast moet worden onderzocht in welke mate het economisch profiel van het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel kan worden verbreed met nieuwe functies die zich wensen te vestigen in de nabijheid van grootstedelijke concentraties (bijvoorbeeld intensieve recreatie gekoppeld aan grootschalige kleinhandel)” (p. 41) De studiebureaus hebben veel meer gedaan dan de loutere afbakening van het zogeheten stedelijk gebied. Zij hebben tegelijk ook aandacht besteed aan de problematiek van de open ruimte, de mobiliteit, de economische ontwikkeling en de woonproblematiek. Zij zijn hiermee hun opdracht helemaal te buiten gegaan; heel gedetailleerd wordt gezegd waar er bijkomende industrie en bijkomende woongelegenheid zou moeten komen. Deze studie moet zeer veel geld en energie gekost hebben. Voordeel is alvast de duidelijkheid: er kan nu heel concreet gezegd worden aan de mensen wat er op til is. Anderzijds hebben de rapporteurs er toch alles gedaan om de essentie van hun verstedelijkingsboodschap zoveel mogelijk te verdoezelen. Dit gebeurt enerzijds door het gebruik van een verhullend planologenjargon (“Bijgevolg is het noodzakelijk in te zetten op het afstemmen van mobiliteitsprofielen van activiteiten op bereikbaarheidsprofielen van locaties.” P. 61) en anderzijds door extreem veel aandacht te besteden aan de problematiek van open ruimten, groengebieden en natuurverbindingsgebieden. Met deze groene saus wil men de werkelijke boodschap zoveel mogelijk camoufleren. Of moeten deze passages dienen als glijmiddel om de geplande grootschalige stedelijke ontwikkeling aanvaardbaar te maken? Men zegt wel enkele keren dat men met het beleid voor het stedelijk gebied niet het ‘volbouwen’ van het gebied beoogt (p. 39) en men herhaalt regelmatig dat de Rand geen overloopgebied van Brussel mag zijn, maar deze obligate zinnetjes verhinderen niet dat vele passages uit het rapport precies het tegenovergestelde laten zien. Het werk is ook zeer slordig geschreven (een passage over de economische dynamiek van Zellik wordt plots besloten met het onzinnige “De belangrijkste beekvalleien zijn allemaal zijbeken van de Zenne in het Brussels Hoofdstedelijk gewest”) en bevat uitgebreide beschrijvende passages die als louter bladvulling overkomen. Het rapport staat zodanig vol ballast en wolligheden dat menig lezer door de bos de bomen niet meer zal zien. Tenslotte ontbreekt ook ieder tijdsperspectief. Het is niet duidelijk binnen welke termijn men bepaalde ontwikkelingen gerealiseerd wil zien. Een aantal invullingen (vooral van woongebieden) vonden trouwens al plaats. De planologen zitten jaren achterop. Men heeft jaren tijd verloren bij de opstelling van dit rapport, want de horizon loopt maar tot 2007. Eigenlijk had men al lang opnieuw van start moeten gaan met de opstelling van het structuurplan 2007-2017. In ieder geval lezen we op verschillende plaatsen dat er na 2007 bijkomende beleidsopties inzake stedelijke ontwikkeling zullen moeten genomen worden. Deze plannen zijn nog maar de eerste stap naar steeds verdere verstedelijking. Nergens in het hele rapport lezen we iets over het belangrijkste samenlevingsproblemen waarmee men vandaag in Vlaams-Brabant geconfronteerd wordt, met name de stelselmatige verfransing en internationalisering van onze streek. We lezen niets over de sociale verdringing van de autochtone bevolking, van de systematische vervanging van deze bevolking door Brusselse inwijkelingen en de gevolgen hiervan voor het culturele en sociale weefsel in de Rand, met name in het gebied dat men als “stedelijk” kwalificeert. De problematiek wordt gewoon niet onderkend, hoewel de Vlaamse overheid (zeker na 18 mei) beweert dat deze problematiek voor haar een prioriteit is. Noch in het economische luik, noch in het woonhoofdstuk wordt de impact van de uittocht uit Brussel ernstig geanalyseerd. Welke inwijking vanuit Brussel wordt er nog verwacht de komende jaren? Wat kan daartegen ondernomen worden? Wat zijn de gevolgen van de uitbreiding van de EU? Enkel wordt hier en daar aangestipt dat er een “doelgroepenbeleid” kan worden gevoerd. Voor het overige wordt het fenomeen van de verBrusseling door een al te roze bril bekeken.(cfr. “Hierbij wenst de Vlaamse overheid de invloeden die uitgaan van het Brussels hoofdstedelijk gewest maximaal op een positieve manier aan te wenden”, P. 40)
3. Mobiliteit: geen ernstige oplossingen Zoals verwacht worden een aantal voorstellen gesuggereerd in verband met een vlotter en frequenter openbaar vervoer, maar er is geen duidelijke visie omtrent het immense verkeersinfarct dat we dagelijks in en rond Brussel meemaken. We vonden geen prognose over de verwachte toename van het verkeer op de Ring. Nochtans konden we onlangs vernemen dat het vrachtwagenverkeer door toedoen van de Europese uitbreiding op enkele jaren zal toenemen met 40%. Ook de uitbreiding van de Antwerpse containerhaven zal zich laten voelen tot in onze streek. De planologen beperken zich tot een verwijzing naar de plannen van de Vlaamse overheid om de Noorderring (tussen Zaventem en Groot-Bijgaarden) te verbreden met parallelbanen. Het Vlaams Belang heeft al herhaaldelijk beklemtoond dat dit (hoewel op een paar stukken gewenst) een omgekeerd effect kan veroorzaken: als we extra verkeer toelaten, dan zal dit het flessenhalseffect van het viaduct van Vilvoorde alleen maar doen toenemen. Daarom pleiten wij al geruime tijd voor de voltooiing van de Ring onder Brussel (via een tunnel onder het Zoniënwoud). Enkel op die manier kan de mobiliteit rond Brussel verzekerd blijven en wordt er een alternatieve route geschapen bij ongelukken. Tevens vragen wij dat de (geschrapte) verbinding Leuven-Mechelen (E19-E314) alsnog gerealiseerd wordt, zodat het verkeer uit Leuven, Hageland en Limburg dat richting Antwerpen moet, niet langer verplicht is de Ring te nemen. Alleen al omwille van de grote verkeerscongestie die nu reeds bestaat rond Brussel is het onverantwoord om nog verder allerlei nieuwe functies en ontwikkelingen te gaan concentreren in de Vlaamse Rand. 4. Economische ontwikkeling: altijd maar meer Binnen de drie hoogdynamische zones, Zellik, de zuidelijke kanaalzone en “het Zaventemse” wordt een intensieve economische ontwikkeling vooropgesteld. Niet alleen door de reconversie van de oude industriezones langs het kanaal (iets waartegen men zich onmogelijk kan verzetten), maar ook door het versneld aansnijden van de resterende bedrijventerreinen én door het realiseren van nieuwe bedrijventerreinen. Op blz. 64 staat een gedetailleerd overzicht van 13 nieuwe bedrijventerreinen, waarvoor een ernstige ingreep in het gewestplan noodzakelijk is.Het gaat om een totale oppervlakte van 220 ha. Verschillende van deze gebieden liggen momenteel in landbouwgebied, soms zelfs in geklasseerd, landschappelijk waardevol gebied (bijvoorbeeld het buffergebied Breedveld tussen Lot en de industriezone richting Huizingen). Andere voorgestelde bedrijfsterreinen situeren zich dan weer op de landelijke stukken nabij de Ring (diverse terreinen in Zellik en de groene buffer tussen Ring en militair hospitaal), waardoor de Ring een nog meer stedelijk karakter zal krijgen. Vanzelfsprekend zullen deze nieuwe terreinen voor bijkomende verkeer zorgen op de Ring. Opmerkelijk is ook dat de militaire luchthaven van Melsbroek zou plaats ruimen voor een bedrijfszone (bestaat daarover een akkoord met de federale regering? Wie zal de peperdure kosten van de verhuis dragen?) en zelfs de woonkern Diegem-Lo, ten oosten van de Ring, wordt opgegeven. Ook Nossegem zou een groot deel van zijn landelijke buffer verliezen. Het is de bedoeling dat de luchthaven helemaal wordt ingekapseld door bedrijven. Hoewel bepaalde pistes misschien op zeer lange termijn te overwegen waren, is het volslagen verkeerd deze gebieden nu versneld een nieuwe bestemming te geven. Het is strategisch een blunder om alle reserves op korte termijn op te souperen. Opmerkelijk is dat voor veel van deze nieuwe bedrijfsterreinen geopteerd wordt voor “kantoren en kantoorachtigen”, terwijl dergelijke bedrijven toch eerder thuis horen in Brussel. Bepaalde plaatsen wil men zelfs verder ontwikkelen als “een herkenbare as voor hoofdzetels van multinationaal opererende ondernemingen en internationale functies.” Ook dit soort ontwikkelingen hoort in de eerste plaats thuis in Brussel. Op de vraag waarom men absoluut zoveel nieuwe bedrijven wil concentreren in de Gordelgemeenten komt nergens een antwoord. Er wordt nergens verduidelijkt waarom juist in onze regio op korte tijd een explosieve toename van het aantal jobs moet worden gerealiseerd. Nergens wordt verduidelijkt waarom er geen geleidelijke economische ontwikkeling zou mogen plaatsvinden die op maat van de streek is gesneden. Gezien het grote mobiliteitsprobleem en het gevaar voor verfransing zou men er alles aan moeten doen om de nieuwe bedrijven juist ver van Brussel in te planten, met name in de grote bedrijfszones die momenteel liggen te wachten in Tienen, Aarschot en Diest. Daar is men in hoge mate vragende partij voor nieuwe bedrijven. De werkloosheid is er ook veel hoger.
5. Opmerkelijke voorbeelden: Heizel en Erasmus Een zeer opmerkelijk voorbeeld van de wijze waarop men Vlaams-Brabant ondergeschikt wil maken aan de ontwikkelingen in Brussel lezen we op blz 61: “De researchcentra, ziekenhuizen, Heizel en Navo zijn belangrijke ontwikkelingspolen (hoofdzakelijk gelegen in het Brussels hoofdstedelijk gewest). Het behoud van bestaande activiteiten en de complementaire ontwikkeling aan de plannen en strategische hefboomgebieden van het Brussels hoofdstedelijk gewest (militair hospitaal, Heizel, vormingsstation Schaarbeek, Erasmus en Vorst) worden vooropgesteld mits een koppeling aan een hoogwaardige openbaar vervoer bereikbaarheid.” Deze passus toont duidelijk aan dat de heren planologen totaal geen kaas hebben gegeten van de Brusselse politieke realiteit. Anders zouden zij geweten hebben dat de twee universitaire ziekenhuizen op de uiteinden van Brussel, met name UCL in Woluwe en Erasmus van de ULB in Anderlecht, speciaal op de grens van hun gemeente werden gezet om van daar uit een verfransende invloed te kunnen uitoefenen op Halle-Vilvoorde. Tot op vandaag is dit duidelijk voelbaar: al te vaak sturen zij eentalig Franse hulpdiensten uit naar Nederlandstalige gemeenten. Het zou dan ook volkomen verkeerd zijn om op één of andere wijze complementaire of ondersteunde activiteiten te organiseren ten behoeve van bijvoorbeeld het ULB Erasmusziekenhuis. Het zelfde geld voor Parking C van de Heizel. Dit is één van de zones waar de rapporteurs dromen van een groot, bijkomend bedrijventerrein. Momenteel is dit 26 ha grote gebied, dat eigendom is van de stad Brussel, maar zich op grondgebied van Strombeek-Bever (Grimbergen) bevindt, nog een zone voor openbaar nut en men wil deze omvormen tot KMO-zone. In de overzichtstabel van blz. 64 lezen we over de bestemming: “Congres en leisure (dwz hoogdynamische recreatie), in synergie met de ontwikkeling van Heizel op grondgebied van het Brussels hoofdstedelijk gewest. Nood aan verdere uitwerking in een strategisch project in overleg met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.” Welk probleem doet zich voor? Brussel wil absoluut een internationaal congrescentrum in de buurt van de Heizelpaleizen, maar heeft daar geen ruimte meer voor veil. En dus moeten congressenpaleis en nevendiensten (hotels, sportfaciliteiten, …) dan maar bovenop deze parking gebouwd worden. Al gedurende verschillende jaren wordt er vanuit Brussel gelobbyd om dit grote terrein te valoriseren en blijkbaar wil men daar nu plots aan toegeven. Dit is onbegrijpelijk. Het spreekt voor zich dat ook deze activiteit allerminst zal bijdragen tot de versterking van het Nederlandstalig karakter van de Rand en van Grimbergen in het bijzonder. De oprichting van een congrescentrum zal alleen maar leiden toch nog meer verkeersdrukte, terwijl dit deel van de Ring nu reeds het drukst bereden stuk autosnelweg is van het land. Met deze operatie is natuurlijk extreem veel geld gemoeid en er valt te vrezen dat sommigen hiervoor gemakkelijk zullen zwichten. Welk voordeel heeft Vlaanderen bij zo’n congrescentrum, dat helemaal gericht zal zijn op het Heizelgebeuren? Tot nu toe werd hiervoor nog geen zinnige verklaring gegeven. Het Vlaams Belang pleit voor een bevriezing van de parking in de huidige toestand. Dit moet beschouwd worden als een reservezone, waar op lange termijn misschien een veel betere, veel zinvollere bestemming aan kan gegeven worden.
6. Woonontwikkeling Het hoofdstuk gewenste nederzettingenstructuur is het meest diffuse van allemaal. Het bevat weliswaar een aantal concrete overzichten van woonprojecten binnen het stedelijk gebied, maar heel wat van die projecten werden inmiddels gerealiseerd. Sommige ervan zijn bovendien het levende bewijs van een mislukt woonbeleid. De omvorming van de oude Artic-site in Lot tot een wooncomplex met 45 lofts, heeft voor een nieuwe verfransingsgolf gezorgd in deze Beerselse deelgemeente. Liefst drie kwart van deze lofts werd gekocht door Franstalige inwijkelingen … Daarnaast wordt in dit hoofdstuk gewerkt met theoretische behoeftenramingen, die slechts gelden tot 2007. Al naargelang het concentratie- dan wel het spreidingsmodel is aan die theoretische behoefte grotendeels dan wel helemaal niet tegemoetgekomen. Bij het spreidingsmodel wordt namelijk ook rekening gehouden met de vele nieuwe woningen die buiten het stedelijk gebied gerealiseerd werden. Duidelijk is in ieder geval dat men zoveel mogelijk nieuwe woningen wil concentreren binnen het stedelijk gebied, met name door het versneld aansnijden van de resterende woonreserves én door het verhogen van het aantal toegelaten bouwlagen. Men wil het aanbod fel doen toenemen: “Zeker op lange termijn (na 2007) zal het aanscherpen van het aanbod noodzakelijk worden indien voor een effectief stedelijk beleid wordt geopteerd.” (p. 72) Voor ons is dit allerminst een gelukkige optie: het stedelijk gebied staat het meest bloot aan de verfransingsdruk en biedt ten gevolge van de meer anonieme omgeving het minste kansen tot integratie. Er valt te vrezen dat een groot gedeelte van de nieuwe woningen uiteindelijk zal betrokken worden door anderstaligen. Vanzelfsprekend moet er een actief woonbeleid gevoerd worden, maar wij pleiten voor een beleid dat in de eerste plaats gericht is op de ontmoediging van de inwijking. Vrijgekomen woningen moeten zo snel mogelijk worden opgekocht (o.m. via een intensief gebruik van het voorkooprecht, dat in de meeste gemeenten nog steeds dode letter is) en gerenoveerd worden ten behoeve van de autochtone bevolking. Een grootschalige en sterk versnelde toename van het aantal woningen in de verstedelijkte gebieden wijzen wij dus af. Een beleid dat gericht is op het systematisch verhogen van de woonlagen eveneens. Het is precies door de dwingende bepalingen van het gewestplan inzake woonlagen dat de verBrusseling van de Rand jaren lang kon afgeremd worden. Helemaal uit den boze is het voorstel om in Beersel en Sint-Pieters-Leeuw grote nieuwe woonzones in te planten in landbouwgebied. In totaal zouden er maar liefst 921 woningen moeten ingeplant worden in deze open-ruimte-gebieden. Dat hiermee andermaal het bedje gespreid wordt voor verBrusseling, hoeft geen betoog. Opmerkelijk is ook dat er geen eenduidige politiek wordt voorgesteld voor de faciliteitengemeenten. Wemmel is een “te versterken kern”, terwijl men in Wezembeek en Kraainem zeer voorzichtig moet zijn, omwille van de “hoge residentiële waarde” van die regio. Ons inziens moet in deze drie gemeenten een gelijkaardig woonbeleid gevoerd worden, dat gericht is op de ondersteuning van het Vlaams karakter van deze gemeenten. 7. Voor de provincie gaat het nog niet snel genoeg Tot onze verbijstering moeten we vaststellen dat het voor de meerderheidspartijen in de provincie (CD&V, VLD en SP.a) allemaal nog niet snel genoeg gaat. In plaats van een kritisch advies te formuleren en vragen te stellen bij de grootschalige verstedelijkingsplannen doet de provincie net het omgekeerde. In het advies dat van middag ter bespreking voorligt in de provincieraad, krijgen de plannenmakers zelfs het verwijt dat ze onvoldoende keuzes hebben gemaakt en een veel te voorzichtige houding hebben aangenomen: “Indien een trendbreuk naar verdere suburbanisatie ingezet moet worden, dienen uitdrukkelijke keuzes voor ontwikkelingen in het Vlaams Stedelijk Gebied rond Brussel genomen te worden.” Op blz 11 van het advies staat het erg cru verwoord en worden er zelfs vragen gesteld bij het behoud van de open ruimte binnen het stedelijk gebied: “Ofwel wordt ervoor gekozen om een compact stedelijk gebied maximaal ontwikkelen, ofwel moet men de stad letterlijk meer ruimte geven.” En dit allemaal in het kader van de zogenaamde “strategische rol” van Vlaams-Brabant. Voor de deputatie gaat de uitbreiding van de bedrijvenzones met 204 ha bovendien nog niet ver genoeg. Er moet daar bovenop nog eens 271 ha gezocht worden omdat er nu eenmaal ooit bepaald werd dat er in de provincie 1350 hectare bedrijfsruimte zou moeten bijkomen. “De provincie vraagt dan ook minimaal dat de bijkomende bedrijventerreinen op korte termijn ontwikkeld kunnen worden.” De grootschalige verstedelijkingsoperatie die gepland wordt is voor de provincie dus nog maar de eerste stap. Er zullen dus nog vele andere landbouwgebieden moeten sneuvelen. Hoe gek het ook moge klinken, zelfs de provincie Vlaams-Brabant trapt met open ogen in het francofone verhaal van de Brusselse “hefboomgebieden” die zo noodzakelijk vanuit Vlaanderen moeten ontwikkeld worden. Vlaanderen moet “complementaire ontwikkelingen” toestaan rond het eentalig Franstalige Erasmus (dus in Vlezenbeek), terwijl er in Anderlecht nog ruimte zat is! En ook inzake de Heizel moeten we vaststellen dat de provincie dezelfde onderdanige houding aanneemt als de ivoren-torenplanologen van het Vlaams gewest. Grimbergen zou dus een internationale roeping hebben en bijgevolg mag de stad Brussel op parking C een internationaal congrescentrum bouwen. Alsof Vlaanderen daar baat kan bij hebben. Alsof één buitenlandse congresganger zal weten dat zijn seminarie plaats vindt in Vlaanderen. Tenslotte gaat ook de afbakening van het stedelijk gebied voor de provincie nog niet ver genoeg. Nossegem moet stedelijk gebied worden, zodat heel Zaventem bij de stad zal horen. En Wolsem paalt aan Groot-Bijgaarden en hoort dus ook bij de stad. Mede onder druk van de bevolking waren een aantal wijken door het gewest weggehaald uit het stedelijk gebied. Zo had de gemeenteraad van Grimbergen unaniem gevraagd om de wijken Molenveld, Verbrande Brug en Borgt niet langer te selecteren als stedelijke kernen. En wat merken we nu? De provincie stelt dit opnieuw in vraag. Wij kunnen hieruit alleen maar concluderen dat het provinciebestuur de bevolking van Vlaams-Brabant op een schromelijke wijze in de steek laat. Het Vlaams Belang beschouwt het als een eretaak om de bevolking hiervan gedetailleerd op de hoogte te stellen. Het debat zal een kernthema worden bij de komende gemeente- en provincieraadsverkiezingen. 8 Conclusies Het grootste probleem waarmee we in de Rand geconfronteerd worden is de systematische verBrusseling van onze regio. Het globale antwoord dat daarop wordt gegeven in dit rapport luidt: nog meer verstedelijking en verBrusseling. Het water staat ons aan de lippen, maar als oplossing krijgen we van de Vlaamse overheid dat er nog een pak water zal worden bijgegoten. Misschien kunnen we dit soort oplossingen beter naar New Orleans exporteren. In plaats van de verstedelijking af te remmen, gaat Vlaanderen nu een stad naast de stad bouwen. Indien men aan het FDF zou gevraagd hebben om een structuurplan te ontwerpen, ze zouden het niet beter gekund hebben. Met dit rapport is alvast duidelijk wie het meeste baat heeft bij de afbakening van het stedelijk gebied. Dat zijn de bouwpromotoren en de projectontwikkelaars. Die kunnen de komende jaren vele miljarden verdienen in Halle-Vilvoorde. 30 jaar geleden wist men met behulp van het gewestplan een halt toe te roepen aan de verstedelijking. Vandaag wordt het roer omgegooid en krijgen de promotoren opnieuw ruime perspectieven. Mogen we eraan herinneren dat begin september uitgerekend Zaventem het meest attractieve vertrekpunt was voor de Gordel: ruim 34.000 gordelaars (1 op 3 deelnemers dus) koos Zaventem als vertrekbasis. In de toekomst zal aan deze mensen dus verteld moeten worden dat ze voor het stadsdeel, voor de stadswandeling hebben gekozen… Voor ons kan er niet langer verder geploeterd worden op het heilloze plannen rond het stedelijk gebied. Wij eisen dat alle partijen van de Vlaamse regering kleur bekent en krachtig afstand nemen van deze voorstellen. Als het de Vlaamse regering menens is met de versterking van het Vlaams karakter van de Rand, dan kan ze niet anders dan dit rapport naar de prullenmand te verwijzen. Hetzelfde zullen we vandaag bepleiten in de provincieraad van Vlaams-Brabant. Er moeten nieuwe uitgangspunten naar voor geschoven worden, die rekening houden met de specifieke en taalkundige eigenheid van de Rand en die gericht zijn op het tegengaan van de verstedelijking. De ruimtelijke ontwikkeling van de Gordelgemeenten moet ten diensten staan van de Vlaamse bevolking van deze gemeenten en niet in functie van het grootkapitaal, laat staan van de desiderata van Brussel. |
|
|
|
|
|



